Boeken/Press/Media

Boeken

ArmandoboekArmando en de melancholie van het scheppen

Katja Rodenburg Armando en de melancholie van het scheppen

Uitgegeven door WBooks/Uitgeverij d’jonge Hond in 2009

Vormgeving: Harald Slaterus

Biblionrecensie Armando en de melancholie van het scheppen:

Boek over de drie grote thema’s in het werk van de veelzijdige Nederlandse kunstenaar Armando (Amsterdam, 1929) – melancholie, de schoonheid van het kwaad en het verlangen naar het woud – bij de tentoonstelling ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag in het Armando Museum Bureau in Amersfoort*. Na het gedicht `Ode on Melancholy’ (1819) van Keats (met Nederlandse vertaling) volgen drie essays over de kenmerken van achtereenvolgens de melancholie, de oorlog en het woud, hun rol in de kunst en speciaal in het werk van Armando (werkend in Amsterdam en Berlijn), aan de hand van zijn filosofische en literaire inspiratiebronnen (Nietzsche, Jünger). Ruim geïllustreerd met fraaie en grote foto’s in kleur (32) en zwart-wit (21) van zijn monumentale schilderijen (minder bekend ouder – vooral zwart en wit – en recent, lichter en kleurrijker werk), sculpturen (gebeukte oppervlakken) en litho’s (poëtisch, subtiel met dichtregels en tere lijnen). Met literatuurlijst. De auteur is filosofe en gastconservator van de tentoonstelling. Fraaie, verzorgd uitgevoerde, boeiend en inzichtelijk geschreven uitgave. – Hillie Smit

Ik, Ophelia

Ik OpheliaKatja Rodenburg Ik, Ophelia

Uitgegeven door WBooks/Uitgeverij d’jonge Hond in 2008

Vormgeving: Mariola López Mariño

Biblionrecensie Ik, Ophelia:

Het Van Gogh-museum Amsterdam heeft tot 18 mei 2008 een tentoonstelling van de prerafaëlitische Engelse schilder John Everett Millais (1829-1896), getiteld Me, Ophelia. Het hoofdwerk daarin is zijn schilderij uit 1852 van Ophelia, Hamlets geliefde, nadat ze bij het bloemenplukken is verdronken. Dat schilderij is het onderwerp van een kunsthistorisch en cultuurhistorisch onderzoek naar het Ophelia-verhaal door filosofe Katja Rodenburg. Na een gedegen relaas over Millais en zijn model Elizabeth Siddal vergelijkt de auteur het Ophelia-verhaal met de verhalen over Elaine en Lancelot en de Vrouwe van Shalott en Camelot, beide door de dichter Alfred Tennyson (1809-1892). Vervolgens legt de auteur een verbinding met een zestiental moderne foto’s (in kleur) van onder meer Hellen van Meene, Rineke Dijkstra, Inez van Lamsweerde, die al dan niet bewust het Ophelia-verhaal illustreren. Alle foto’s zijn sterke kunstwerken die onafhankelijk van het Millais-schilderij kunnen functioneren, maar in het betoog van Rodenburg een nieuwe lading krijgen. Goede uitgave, door de context van het Ophelia-schilderij en door het perspectief van de foto’s. Interessant voor liefhebbers van prerafaëlitische kunst en van moderne fotografie. – A. van Renssen

Recensie in De Volkskrant:

Origineel essay over rossige Ophelia’s

Ik, Ophelia

Essay over het Ophelia-beeld in kunst en fotografie laat je anders kijken naar vrouwen.

Amsterdam Als je na het lezen van Ik, Ophelia door de stad fietst, zie je ze overal lopen: rossige meisjes en vrouwen, bij voorkeur met vlassige krullen, los of opgestoken. Hun witte huid oogt doorschijnend zodat het lijkt of roze linten eronder schuil gaan. Ze hebben vaak iets mysterieus: mooi zonder verleidelijk te zijn. Maar ze hebben ook iets kwetsbaars: bleek en waterig oogt het vel dat hun innerlijk al half prijs lijkt te willen geven.

Filosofe Katja Rodenburg schreef bij de tentoonstelling Me, Ophelia in het Van Gogh Museum in Amsterdam een origineel essay over het Ophelia-beeld in de schilderkunst en de fotografie. Ze start bij het beroemde schilderij van John Everett Millais (Ophelia, 1851-1852), dat nu als icoon dient voor de overzichtstentoonstelling van deze Britse, prerafaëlitische schilder. In vier hoofdstukken verweeft ze de persoonlijke geschiedenis van het model Elizabeth Siddall (dat met gevaar voor eigen gezondheid in bad heeft geposeerd voor deze dobberende Ophelia), met ontwikkelingen in de prerafaëlitische schilderkunst én de recente kunstfotografie. Modellen met naar binnen gekeerde ogen en half open mond staan symbool voor de overgangsfase tussen hier en daar. Zoals Ophelia in een weelderig overwoekerd riviertje haar verdrinkingsdood tegemoet drijft – Zelfmoord? Gevallen? Dood? Bewusteloos? – zo bevinden de jongvolwassen modellen van bijvoorbeeld Rineke Dijkstra zich in de overgangsfase naar volwassenheid.

Helaas haalt Rodenburg slechts zestien foto’s aan ter bevestiging van het Ophelia-beeld in de fotografie; een aantal is helaas al bekend. Ze laat je wel anders kijken, bijvoorbeeld naar het dubbelportret van twee meisjes (Inez van Lamsweerde & Vinoodh Matadin), een slapend, een wakend. Dat krijgt wel iets verontrustends met de jonge dood van Ophelia in je achterhoofd. De foto’s van Hellen van Meene tonen echte Ophelia’s die wegkijken van hun toeschouwer en misschien wel zinspelen op zelfmoord.

De keuze van de jongensfoto uit Dijkstra’s serie in Tiergarten Berlin (2000) is curieuzer – het gaat niet om een androgyn type – of hij zou een jeugdige Hamlet moeten zijn, die de waanzin in Ophelia’s geest aanwakkert door zijn liefde voor haar te betwijfelen.

William Shakespeare bracht Ophelia als toneelpersonage tot leven in zijn beroemde tragedie Hamlet maar liet haar dood buiten beeld. We horen alleen over haar tragische verdrinking bij het plukken van de Dodemansvingers doordat koningin Gertrude het verhaal aan Ophelia’s broer vertelt. Zo’n indirect verslag stimuleert de verbeelding: schilders, filosofen en fotografen fantaseren over de toestand tussen waken en slapen, over de onschuld die zich met de natuur herenigt, over de fragiele, breekbare vrouw die de onbereikbaarheid verkiest. Al die Ophelia’s uit het straatbeeld fietsen natuurlijk niet de verdrinkingsdood tegemoet. Maar wee degene die met half open mond je net niet aankijkt.

Annette Embrechts

Nietzsche lezen

Nietzsche lezen

Nietzsche lezen

Katja Rodenburg, Paul van Tongeren, Monic Schijvenaars Nietzsche lezen Uitgegeven door Uitgeverij Damon in 2000

Beeld: Chrisje van der Heijden

Biblionrecensie van Nietzsche lezen:

In dit bijzonder innemende boekje beschrijven negentien filosofen hun eerste kennismaking met het werk van Nietzsche: Maarten Doorman, Paul van Tongeren, Karl Pestalozzi, Jacques de Visscher, Samuel IJsseling, Henk Oosterling, Joep Dohmen, Vasti Roodt, Niels Helsloot, Mariëtte Willemsen, Gerd Schank, Gerard Visser, Maurice Weyembergh, Herman Siemens, Paolo D’Iorio, Katja Rodenburg, Sylvain De Bleeckere, Désirée Verweij, Marc Van den Bossche en David Farrell Krell. De optelsom van die stukjes levert niet alleen een portret op van deze wellicht meest invloedrijke filosoof uit de 19e eeuw, maar tekent ook de manier waarop die invloed zich in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw deed gelden. De stukjes zijn gepubliceerd in de taal waarin ze geschreven zijn: er zijn er drie in het Engels, één in het Duits en één in het Frans. Kleine druk. – Dr. D.G. van der Steen

Armando en Aaron van Erp

Armando Aaron van ErpKatja Rodenburg, Yvonne Ploum Armando en Aaron van Erp Uitgegeven door d’jonge Hond in 2010

Vormgeving: Vanessa van Dam

Biblionrecensie van Armando en Aaron van Erp:

Het Armando Museum was met een gecombineerde tentoonstelling van Armando (º1929) en Aaron van Erp (º1978) uit op een artistieke ontsteking in het snijvlak van de thematiek die beiden delen: geweld, vernedering, destructie en schuld. Dat lukte, alle werken zijn indringend en gaan over en weer coalities aan. Twee specialisten ook leverden een korte begeleidende tekst: kunsthistorica Y. Ploum richtte zich op de overeenkomsten en verschillen (die zijn alle twee ruimschoots aanwezig), filosofe K. Rodenburg op de receptie. Jammer is dat het formaat van het boekje, en dus ook van de afbeeldingen (alleen van schilderijen), klein is en dat er ook maar 20 foto’s opgenomen zijn (9 voor Armando, 11 voor Van Erp). Een ander bezwaar geldt de koppeling tussen tekst en afbeelding. Vanuit de tekst kun je middels een nummer gemakkelijk het betreffende schilderij vinden maar omgekeerd wordt het puzzelen. De bijdrage van zowel Armando als Van Erp aan het denken over kunst en maatschappij is zonder meer wezenlijk. Deze catalogus is kwantitatief echter te beperkt om daar voldoende recht aan te doen. – Albert Hagenaars

Op zoek naar betekenis

Foto0113Katja Rodenburg (ed), In het woud op zoek naar betekenis

Vormgeving: Mart. Warmerdam

Uitgegeven door Armando Museum Amersfoort in 2008

(Geen recensie vanwege brand museum twee weken na opening tentoonstelling)

Film, televisie en radio

♦ De tentoonstelling Armando en de melancholie van het scheppen in rubriek Art2See van Kunstuur (AVRO) 20-2-2010

♦ Interview-gesprek met Wim Brands en Wim Noordhoek in De Avonden (VPRO) naar aanleiding van het boek Armando en de melancholie van het scheppen.  19-12-2009

Pepper’s Ghost van Dutch Igloo voor de tentoonstelling ‘Een huis in Frankrijk’ met de filosofische reisgids van Katja Rodenburg ‘Un rêve, une réalité’

http://www.youtube.com/watch?v=N7WvS1dA_Lc

♦ Korte documentaire over de opening van de tentoonstelling Armando en de melancholie van het scheppen en de verjaardag van Armando. Met onder andere muziek van Nello Mirando, de Armando’s en Marike Verheul. 18-09-2009

Impressie van de openingsavond en de werken in de tentoonstelling Me, Ophelia in het Van Gogh Museum Amsterdam. 14-02-2009

http://www.youtube.com/watch?v=Mp7boH9izn8

♦ Audio file ‘Nachtgedachten’ rond de tentoonstelling Dark Mirror Nederlands Instituut voor Mediakunst (Nimk) Amsterdam Nacht van de filosofie 31-03-2007

Interviews 

Interview in Het Financieele Dagblad naar aanleiding van een serie cursussen rond filosofie en leiderschap voor Stichting NCW / VNO-NCW

Door Catrien Seite, gepubliceerd op 4 juni 2002:

Filosofie bestaat uit tijdloze ideeën

In samenwerking met de Internationale School voor Wijsbegeerte heeft de Stichting NCW in het kader van een andere kijk op managen een cursus over integriteit, spiritualiteit en praktische filosofie samengesteld. Katja Rodenburg, filosofe en stafmedewerker bij de ISVW: ‘We moeten af van de strikte scheiding tussen werk en leven.’

LEUSDEN – ‘Wij kennen nu allemaal het beeld van de filosoof uit de reclame: een man op leeftijd die een beetje warrig is. Maar de laatste tien jaar is er een kentering gekomen. Filosofie is uit de stoffige studeerkamer gekomen.’ Katja Rodenburg, staflid bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geeft in een serie, waarin een andere kijk op managen centraal staat, een cursus levenskunst voor managers.

Filosofie staat in de belangstelling. April is door een groep uitgeverijen, boekhandels, het Filosofie Magazine en de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) uitgeroepen tot de maand van de filosofie. Dit gezelschap heeft een stichting opgericht, die elk jaar activiteiten zal organiseren waarbij het filosofische debat centraal staat.

De belangstelling voor filosofie is nog steeds groeiende. Ook onder managers. Zo heeft de Stichting NCW, binnen VNO-NCW een centrum voor reflectie en bezinning over levensbeschouwing en maatschappelijk ondernemen een cursus onder de naam ‘Momenten voor reflectie’ samengesteld. In samenwerking met het ISVW zijn drie programma’s over levenskunst (12 juni), denkgereedschap en Socratische gesprekken (12 september) samengesteld. De Stichting NCW richt zich met name op de regionale verenigingen en Jong Management. De meeste managers die inschrijven zijn afkomstig uit het midden- en kleinbedrijf en professionals van adviesbureaus.

Rodenburg denkt dat de huidige interesse mede veroorzaakt wordt doordat de vorm van de presentatie van diverse filosofische denkbeelden zo veranderd is. ‘Het is nu veel meer praktisch georienteerd dan zo’n tien jaar geleden. Wat men noemt de filosofie zonder voetnoten. Het is een terugkeer naar de oude tijd, de tijd van Aristoteles. Toen was het een manier van leven.’

Voor die recente heropleving waren er steeds meer filosofen die zich specialiseerden op steeds kleinere deelgebieden. ‘Die hielden zich helemaal niet meer bezig met de praktijk van het leven en de complexiteit van keuzes in het dagelijks leven.’

De cursussen die aan managers aangeboden worden, zijn niet anders dan het reguliere programma. Rodenburg: ‘Wat ik wil betogen is dat levenskunst niet iets is voor de vrije tijd. Er is geen onderscheid tussen werk en vrije tijd. Je hebt maar een leven, je bent een bepaalde tijd op aarde en daar komt een einde aan. Dat gegeven is net zo aanwezig in werktijd als in het persoonlijke leven. We moeten af van die strikte scheiding en naar een balans gaan tussen werkende en levende mensen.’

Geen verschil dus met de reguliere cursus. Maar een van de filosofen die zij wil behandelen is Marcus Aurelius, keizer, bevelhebber, filosoof. ‘Hij was een soort supermanager, die detijd die hij doorbracht in barre buitengebieden gebruikte om te schrijven over visie en leiderschap. Hij gaf leiding aan heel verschillende groepen in de maatschappij en hield zich bezig met de vraag: hoe vul ik mijn rol als leider in? De notities die hij heeft opgeschreven zijn heel nuttig voor managers.’

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche hoort ook in het rijtje thuis en hij is tevens de favoriet van Rodenburg zelf. ‘Maar ik heb vijf verschillende filosofen gekozen om een mooie verdeling te maken. Ik maak gebruik van hun bronteksten, juist om te laten zien hoe zij verschillende bewoordingen hebben voor hun ideeen.’ De vragen die ver-volgens uit de zaal komen moeten de discussie toespitsen op de dagelijkse werkelijkheid van managers. ‘Het gaat om het nadenken over de kwaliteit van je eigen bestaan. Hoe kan ik bewust van die tijd gebruikmaken? Je ziet hoe je verschillende houdingen ten aanzien van je eigen leven kunt innemen. Het leven op zich is een voortdurende cursus.’

In een welvarend land als Nederland wordt er weer aandacht besteed aan de grote levensvragen. Rodenburg: ‘Waar wil ik naartoe? Wat wil ik doen? Dat zijn tijdloze vraagstukken. Het zelf keuzes maken wordt heel sterk gepropageerd door de overheid en je kunt niet meer steunen op autoriteiten. Er zijn ongelooflijk veel mogelijkheden om uit te kiezen, maar hoe weet je of je de goede keus heb gemaakt? Ik denk dat daar een van de angsten van deze tijd zou kunnen liggen.’

Cursussen filosofie geven geen antwoorden op deze vragen, maar de mensen kunnen samen praten over de keuzes die gemaakt zijn. Nietzsche of Aristoteles kunnen daarbij een steun zijn, zegt Rodenburg. ‘Nietzsche kijkt als een kunstenaar naar het materiaal. Hij zegt dat de mens geen speelbal van het lot is. Er is geen hogere macht, je bent als individu volledig verantwoordelijk. Heel concreet. Dat is nogal wat. Je hebt als mens ook maar heel kort de tijd. In die zin geeft de dood vorm aan het leven. Maar door die beperkte tijd maken wij ons zorgen over de keuzes die wij maken.’

De manier waarop onze maatschappij is ingericht oefent daar ook invloed op uit. ‘De mens is gewend geraakt aan een zekere maakbaarheid en de functie van religies en opvattingen zijn diffuus geworden. De bijbel met de tien geboden, die meer of minder stringent werden uitgelegd, was toch een leidraad. Mensen gaan op zoek naar reflectie. Doe ik het wel goed? Men wil tijd besteden aan alle keuzemogelijkheden en daarover praten.’

De ISVW werd in 1916 opgericht vanuit een ideeele gedachte. Het moest een instituut zijn dat grensoverstijgend cursussen over wereld- en levensbeschouwingen wilde geven. Leusden werd uitgekozen omdat men daar ‘buiten het gedrang der wereld, waar de ziel zich in stilte kan laten horen’ met elkaar van gedachten kon wisselen.

Vandaag de dag ligt het instituut nog steeds verscholen in de bossen, maar de snelweg is naaste buur geworden. Die stilte is dus niet meer wat het was. Rodenburg: ‘Men wilde hier een plaats maken waar men buiten de universiteiten een breder publiek kennis kon laten maken met filosofie. Hier op het instituut heeft men altijd geprobeerd de link met maatschappelijke veranderingen te leggen. Wij propageren de discussie en de dialoog.’

De kennismaking met filosofie kwam voor Rodenburg tijdens het lezen van de romancyclus van Jean-Paul Sartre, De wegen der vrijheid. ‘Ik was geinteresseerd in verschillende dingen als archeologie en toneel. Maar dat boek wekte mijn nieuwsgierigheid, ik begreep er niets van. Zo ben ik in Nijmegen filosofie gaan studeren. Wij hadden daar een hele nuchtere docent, die ons de eerste keer onmiddellijk vertelde dat jewel kon vergeten een carriere te maken met een filosofiestudie. Veel geld verdienen is er niet bij.’

Met het schrijven van artikelen en het organiseren van cursussen kon zij haar vak blijven uitoefenen en in 1996 kwam zij via een advertentie in het Filosofie Magazine als free lancer bij het ISVW. Later werd dit omgezet in een staffunctie.

Filosofie is een levend vak, dat diverse interpretatiemogelijkheden biedt. ‘Dat is het aantrekkelijke van filosofie. Door les te geven en het overbrengen van de ideeen en de reacties van de cursisten leer je zelf ook. Het is een voortdurende vernieuwing van inhoud en de feedback uit de zaal is telkens anders. Ik verwacht van managers specifieke vragen.’

Daarom zou Rodenburg het een goed initiatief vinden als filosofie een verplicht vak werd op de scholen. ‘Niet zozeer om de geschiedenis van de filosofische stromingen te leren kennen, maar om kennis te maken met de verschillende toepassingsgebieden. Zoals bijvoorbeeld het leren vragen stellen en kunnen debatteren.’

In de discussie over normen en waarden kan filosofie naar haar mening ook een steun zijn. ‘Ik zie filosofie als een museum van tijdloze ideeen. Het geeft geen voorgeschreven pad, maar het laat verschillende beelden zien. Je moet zelf de normen en waarden onderzoeken en je daar verder in verdiepen.’ En net zoals het met een schilderij gaat, waar je weinig van kunt zien als je er met je neus bovenop staat, zo gaat het met het eigen handelen, zegt Rodenburg. ‘Het kan heel nuttig zijn als je naar je eigen handelen kijkt om drie stappen opzij te zetten en je leven van een grotere afstand te beoordelen.’

Interview-artikel in Trouw naar aanleiding van het Nietzsche -jaar en de Nietzsche reis In de voetsporen van Wagner en Nietzsche

Interview gepubliceerd op 2-09-2000:

Wandelen

Katja Rodenburg, filosofe

,,Morgen vertrek ik naar Sils-Maria, waar Nietzsche zo vaak vertoefde. Ik begeleid een groep van 25 deelnemers op een reis door het Zwitserland van Nietzsche; vorig jaar maakten we zo’n reis naar Weimar. In Sils-Maria gaan we de Nietzsche-wandelingen nalopen en ik bespreek dan zijn gedachtegangen. Ja, er is een heus boekje met Nietzsche’s wandelingen. Het heet: Nietzsches Spaziergünge durch Sils-Maria.

Ik leerde zijn werk al vrij vroeg kennen, maar ik geloof niet dat ik hem toen al begreep. Maar ik was verrast door zijn taalgebruik, zijn stijl. Voor mij persoonlijk heeft hij veel betekend. Tijdens mijn filosofiestudie was mijn passie voor de wijsbegeerte enigszins op de achtergrond geraakt. Wat hebben al die filosofische constructies met het echte leven te maken, vroeg ik me af.

Nietzsche fascineerde me, maar hoe is moeilijk uit te leggen. Het kwam denk ik vooral door zijn eerste boek ‘De geboorte van de tragedie’. Een prachtig werk waarin alle thema’s van zijn denken al zijn opgenomen. Hij houdt daarin een pleidooi voor de terugkeer van het tragische inzicht. Nietzsche verhaalt van een oude Griekse mythe waarin koning Midas in een woud jaagt op de wijze Silenus. Midas wil Silenus een vraag voorleggen en wel deze: ‘wat is voor de mensheid het beste?’ Silenus wordt gevangen en moet onder dwang antwoorden. Hij zegt dan: ,,Het beste is voor de mensheid niet te bereiken. Want het allerbeste is om niet geboren te zijn. En het op een na beste is om zo snel mogelijk te sterven.’

Het tragische inzicht komt erop neer dat de mens alleen staat en op zichzelf is aangewezen. Nietzsche heeft de dood van God aangekondigd. Daarmee is een groot ijkpunt verdwenen. De mens moet zijn eigen normen en waarden scheppen. Het leven is eindig, we moeten het zelf vormgeven. ‘Blijf de aarde trouw’, zei Nietzsche. Het leven is slechts een esthetisch fenomeen.

Nee, voor mij was dat geen geloofsafrekening. Mijn grootouders van weerszijden hadden het geloof al laten vallen, ik ben vrij van religieuze gevoelens opgegroeid. Wel ging ik in Nijmegen naar een katholieke lagere school en later naar de Katholieke Universiteit daar. Ik heb wel altijd veel belangstelling gehouden voor religie. Voor mij was Nietzsche een bevestiging, maar geen losmaking. En zijn nadruk op de vormgeving heb ik ook van thuis uit meegekregen: mijn vader was architect en verkeerde in artistieke kringen.

Nietzsche -hij was zelf zoon van een dominee- vond religie knellend, vooral het christendom met zijn tien geboden. We moeten zelf nadenken en onze verantwoordelijkheid nemen. Wat me ook zeer in Nietzsche aanspreekt is dat hij geen navolgers wil. Hij heeft gepleit voor een kritische en ironische distantie tot hem zelf. Hij omschreef zijn werk als een ‘vreemdsoortig plantaardig gewas’. En tot op heden blijf ik verrast door zijn boeken. Die groeien met je mee. Je denkt Nietzsche beter te kennen en dan blijkt weer dat je hem helemaal niet kent. Die distantie is belangrijk. Zelf zei Nietzsche: ‘Nur wer sich wandelt ist mit mir verwandt.’ Je moet bij Nietzsche altijd in beweging blijven.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s