Zelfstandig denken – over de noodzaak van de eigen gedachte

Voor mij ligt een gehavend boek, het is dan ook al bijna honderd jaar oud. Oorspronkelijk was de kaft waarschijnlijk helderblauw, nu is die echter groen uitgeslagen. Er staat op: Parerga en Paralipomena [ toevoegsels en uitlaatsels ] Kleine philosophische geschriften van Arthur Schopenhauer vertaald en van een inleiding en aanteekeningen voorzien door Dr. H.W. PH. E. van den Bergh van Eysinga Uitgave Em. Querido Amsterdam 1908. Toevoegsels en uitlaatsels, mooie woorden waarmee je filosofische notities eveneens zou kunnen omschrijven.

Het twaalfde hoofdstuk trekt meteen de aandacht: Zelfstandig denken. Deze titel blijkt slechts in schijn eenvoudigweg het onderwerp aan te duiden. Kunnen wij dat dan nog niet? Gaat eigenlijk niet iedereen er van uit dat de mens dan wel een dier is, maar tenminste één die zelfstandig kan denken? Nieuwsgierig proeven we verder Schopenhauers’ gedachten over dit onderwerp. De eerste overweging hakt er al goed in. Misschien verkeert u ook, als lezer van dit artikel, in de veronderstelling dat het lezen op een of andere manier zal bijdragen aan uw eigen denken?

Nou… nee. Er is namelijk een ongelooflijk groot verschil tussen de uitwerking van het zelfstandig denken en het effect van het lezen op den geest. Het beste middel om te voorkomen dat u eigen gedachten heeft, is in elk vrij ogenblik een boek ter hand te nemen. De filosoof citeert op dit moment de Engelse intellectueel Pope: For ever reading, never to be read. Lezen is slechts een surrogaat van het eigen denken zonder meer, men laat zijn eigen gedachten door een ander aan den leiband voeren. De via het lezen verkregen waarheid of inzicht blijft voor de lezer in de grond vreemd, omdat het niet een integraal deel vormt van zijn gedachten. De aangeleerde waarheid zonder meer kleeft ons slechts aan als een aangezet lid, een valsche tand, een wassen neus of hoogstens als een nagemaakte van vreemd vleesch.

Want het denken komt ons bepaald niet aanwaaien, men moet maar afwachten of de gedachten komen. Bovendien moeten ze vanzelf tevoorschijn komen én onder de juiste omstandigheden. Daarvoor moet de uiterlijke aanleiding mooi samenvallen met de innerlijke stemming en spanning. Schopenhauer vergelijkt de waarachtig zelfstandig denkende mens met een soevereine vorst, die niemand boven zich erkent. Zijn oordeelvellingen komen voort uit zijn eigen macht. Hierbij neemt hij geen autoriteiten aan, en laat niets passeren dan wat hij zelf bevestigd heeft.

De meeste mensen zijn echter anders. Bij conflicten vinden zij het eigenlijk wel prettig zich te kunnen verlaten op argumenten van autoriteiten, in plaats van zelf te denken. En dat terwijl het in het rijk van de gedachten zo goed toeven is! Waar we in de werkelijkheid gebukt gaan onder den invloed der zwaarte, zijn we in de gedachten onlichamelijke geesten, zonder zwaarte en bekommering. De tegenwoordigheid van de gedachte is als de tegenwoordigheid van een geliefde. Wij denken dat wij die gedachte nooit vergeten zullen en deze geliefde zal ons nooit onverschillig worden, maar eens uit de oogen, uit het hart! De mooiste gedachte loopt gevaar, onherroepelijk te worden vergeten als zij niet wordt opgeschreven. De hartstochtelijkheid waarmee Schopenhauer deze woorden noteert, laat een glimp van het onverwachte verborgen innerlijke leven van deze pessimistische filosoof zien.

Hoe is het gesteld met het zelfstandig denken in onze tijd? Wanneer we om ons heen kijken, dan zien we een blijkbaar enorme behoefte aan allerlei ondersteuning bij ons denken over de zin van onszelf, onze geliefde, onze kinderen, het werk, de maatschappij, over wat niet, kortom over alles wat bij het leven hoort.

Er worden ook vele gedachten opgeschreven. In de krantenbijlagen, met namen als De Verdieping, Opinie en Debat en Het Betoog lezen we over allerlei onderwerpen. Want wij willen daarover nadenken, zo zeggen we, en zelfstandig een oordeel vormen. Dat zijn we verplicht aan onszelf als weldenkende mensen, zo vinden we. Je hoeft niet eens Nietzsche gelezen te hebben om hierbij toch argwanend te worden. Wijzen deze grote woorden in de kranten niet eerder op een gebrek, dan op een overvloed van het zelf denken en de bijbehorende argumenten?

De filosofie lijkt buiten zichzelf van vreugde over deze belangstelling. Zij gedraagt zich als een verlegen meisje dat ooit uit het klooster gekomen is en daarna schuchter de danszaal inging. Lange tijd was ze het muurbloempje, het meisje waar je alleen mee danste als het niet anders kón. Andere partners deden lang niet zo moeilijk en ingewikkeld als zij. Nu mag ze wél meepraten aan de nieuwstafel, over elk actueel probleem weet ze wel een diepzinnige, maar toch op zich begrijpelijke opmerking te maken. Haar balboekje staat nu meer dan vol, het is haar aan te zien.

Is er nog wel tijd om zelfstandig te denken? Is er nog tijd om te wachten totdat de gedachten tot je komen? En er genoegen mee te nemen als dat niet zo is?

De door Schopenhauer gesignaleerde figuur van den boekenphilosooph probeert zijn gebrek aan het zelfstandige denken op te heffen door hard te werken. Maar ondanks zijn noeste arbeid maakt hij de indruk dat alles bij hem uit de tweede hand komt: overgeleverde begrippen, bijeengeraapte rommel mat en glansloos als de afdruk van een afdruk; en zijn, uit conventioneele, ja, banaale zinnen en gangbare modewoorden bestaande stijl gelijkt op een kleinen staat, welks circulatie bestaat uit vreemde muntsoorten zonder meer, omdat hij zelf geen geld slaat.

De tijd lijkt te hard te gaan voor het langzame denken. Voor dat denken zul je echt de tijd moeten nemen.Tijd die we meestal niet hebben, zo denken wij. Toch raad ik aan om het denkwerk niet te veel uit te besteden. Begin met een kleine gedachte, geef haar de ruimte en laat haar groeien, haal het onkruid weg en kijk naar het resultaat. Eén kleine, maar eigen gedachte betekent oneindig veel meer voor het zelfstandige denken, dan honderden opinies en meningen die kant en klaar voor ons op het menu worden gezet.

En als het gevoel opkomt dat het eigen denken schromelijk tekort schiet? Denk dan aan Schopenhauers’ overweging, dat we alleen als we het niet te nauw nemen onszelf een denkend wezen kunnen noemen en dat onze intellectueele gezichtseinder weliswaar boven die van het dier uitgaat, maar toch niet zo onberekenbaar ver, als men wel meent.

Filosofen vormen hierop echt geen uitzondering. Zelfstandig denken, het blijft het moeilijkste wat er is, maar het is alle moeite waard.

Met dank aan de lezer van dit stuk, die ik heb verleid om wat van de kostbare denktijd in te ruilen voor een stukje leestijd.

Deze column verscheen eerder in het tijdschrift Kunst en Wetenschap

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s